De militaire diensttijd van mijn grootvader in Indonesië heeft hem gebroken. Die pijn sijpelde door naar mijn moeder en uiteindelijk ook naar mij. Dat voel ik, zeker nu ik werk aan een documentaire erover. Om meer te leren over de impact op onze familie, interview ik mijn moeder: Esther Lunter.
We ontmoeten elkaar in zaal 6 van Museum Bronbeek in Arnhem. Niet toevallig: dit is het Rijksmuseum voor het koloniaal-militair verleden van Nederland. Zaal 6 staat voor ‘verwerken als voortdurend proces’.
Mijn moeder is keramisch kunstenares. In 2010 maakte ze het beeld Gebroken Lichaam, ter nagedachtenis aan haar vader. Hij nam in december 1948 onder andere deel aan de Tweede Politionele Actie in Indonesië, bij de landing van Glondong.
Tijdens het maakproces reisde ze in haar verbeelding met hem terug naar dat moment. “Ik opende de witte lijkkistjes van gesneuvelden, haalde de lichaamsdelen eruit, en metselde ze tot een bovenstel en onderstel. Een lichaam, samengesteld uit fragmenten. Ik plaatste het beeld op de twee kistjes, die nu dienst doen als sokkel.”
Een soort monument?
“Ja. En een gebaar van herstel. Alsof alles weer heel zou kunnen zijn en het nooit gebeurd was. Geen trauma, geen verwrongen familiegeschiedenis. Alleen heelheid.”
Wat was jouw aanleiding om dit onderzoek te starten?
“De dood van mijn grootvader,” vervolgt ze. “Bij hem voelde ik me veilig. Die basis viel weg en ik moest toen naar mijn gezin van oorsprong kijken om verder te kunnen. Mijn ouders waren toen al overleden.”
Wat vond je?
“Onrecht…” vertelt ze, zonder te aarzelen. “Mijn vader vervulde als 19-jarige zijn dienstplicht in voormalig Nederlands Indië. Hij was katholiek, opgevoed met normen en waarden, en geloofde dat hij eervol diende. Maar hij kwam terecht in een oorlog die zijn morele kompas volledig onderuit haalde.”
Tijdens de oorlog? Of erna?
“Beide, het zouden politionele acties zijn, maar het veranderde in een bloedige guerrillaoorlog. Daar was hij niet op voorbereid.”
“Maar het ergste kwam bij terugkomst. De Nederlandse staat liet hen barsten. Jongens zoals mijn vader kwamen thuis zonder erkenning. Ze werden weggezet als oorlogsmisdadigers, omdat Nederland een zondebok nodig had voor een verloren kolonie. Velen dronken veel en gingen eraan kapot. Mijn vader ook.”
Hoe merkte je dat?
“Misschien moeilijk voor te stellen, maar als je in een oorlogssituatie terechtkomt, is nooit meer iets normaal. Toen hij in Indië was, werd er gevloekt. Die schuttingtaal sloop het gezin binnen. Mijn jongste zus en ik waren kampioen grof taalgebruik.”
“Ook kon hij grillig en afstandelijk zijn. Wanneer hij moe was van zijn werk of een avondje ging biljarten, nam hij vaak een borrel. Dan vervielen zijn remmingen en degene met de grootste mond hinderde hem dan. Dat was ik. Ik kon een mep krijgen als ik hem niet beviel. Ik kreeg overal de schuld van, omdat ik de enige was die iets zei of reageerde. Ik werd schuchter. Niet echt leuk voor mij.”
Denk je dat jij zijn trauma aan mij, mijn broer of zusje hebt doorgegeven?
“Ik denk niet dat zijn trauma letterlijk in jullie leeft. Maar strijd voor rechtvaardigheid wél. Om dat knagende schuldgevoel: schuldig zijn aan iets wat je niet hebt gedaan. De onmacht, dat drukte zwaar op ons gezin.”
Ik sprak met jouw zussen, mijn tantes, die vertelden dat ze nog steeds last hebben van zijn trauma, bijvoorbeeld door gevoelens van hyperwaakzaamheid. Dat herken ik ook in mezelf en bij jou tijdens het opgroeien. Verder is er onderzoek dat suggereert dat trauma zelfs via DNA kan worden doorgegeven. Waarom denk je dat het niet letterlijk voortleeft?
“Ik weet het niet… Maar het is niet het enige wat werd doorgegeven. Hij was ook gewoon mijn vader. En ik zou hem tekort doen door hem alleen als veroorzaker van pijn te zien.”
“Ondanks alles was mijn vader een goed mens. Royaal en gevoelig. Hij huilde bij een optreden van Wim Kan, vluchtte weg bij spannende voetbalwedstrijden, en hij zorgde goed voor zijn gezin. Wij waren zijn reden om door te gaan.”
“Het woord ‘trauma’ bestond niet. Je klaagde niet. Je zweeg over moeilijke dingen. En het hele Indië-verhaal lag gevoelig. Daar keek men van weg. Dat hoorde bij de wederopbouwgeneratie. Men mocht niet achteromkijken, alleen vooruit.”
Wat moet er volgens jou nog verteld worden?
“Dat de Nederlandse samenleving haar Indië-veteranen heeft verraden. Dat zij haar jongens heeft laten barsten. Ze zijn misleid. Hen werd verteld dat het ging om een ‘politionele actie’, maar in werkelijkheid belandden zij in een guerrillaoorlog.”
“Ze vochten voor een gedachtegoed dat destijds breed gedragen werd: het behoud van de kolonie, ten gunste van het Koninkrijk der Nederlanden. Ze deden wat hun werd opgedragen, maar werden bij terugkeer aan hun lot overgelaten. Genegeerd, veroordeeld en doodgezwegen.”
“En ik vind dat wij, als Nederlandse samenleving, daarvoor onze verantwoordelijkheid moeten nemen. We zijn allemaal onderdeel van het koloniale verleden. Onze welvaart is mede opgebouwd door handel met, en oorlogen in, de koloniën. Die verantwoordelijkheid, in schuld en schaamte, mag niet rusten op de schouders van de families van oud KNIL-veteranen alleen. Dat dragen we samen.”
Ook derde generatie?
Harry is op zoek naar kleinkinderen van – Molukse – KNIL-militairen of Indië-veteranen die de impact van het koloniale verleden nog steeds voelen, en hun verhaal willen delen in de documentaire. Hij sprak al met enkele nazaten, maar wil meer mensen de kans geven om hun verhaal te delen voor de documentaire.